Agendapunt B4 van de vergadering van de raad van de gemeente Hengelo van 1 maart 2011: Initiatiefvoorstel ProHengelo

 

 

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

INITIATIEFVOORSTEL  van Pro Hengelo

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Agendapunt:               B4 van de vergadering van de raad van de gemeente Hengelo van 1 maart 2011

 

Registratienummer:    382188

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Onderwerp:                       Verordening op het recht van onderzoek van de gemeenteraad

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Voorgenomen besluit:       Vaststellen van de Verordening op het recht van onderzoek 2011 met de toelichting daarop

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

Aanleiding en inhoud van het besluit:

 

Met de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur op 7 maart 2002 werd het recht van onderzoek van de gemeenteraad geïntroduceerd, ook bekend als de ‘raadsenquête’. Dit recht vindt zijn grondslag in de artikelen 155a tot en met 155f van de Gemeentewet. Het onderzoek dient zich te richten op (een onderdeel van) het collegebeleid c.q. de wijze waarop het college van burgemeester en wethouders, dan wel de burgemeester (een of meer van) zijn bevoegdheden heeft uitgeoefend. De gemeenteraad kan dus niet provinciaal beleid of rijksbeleid onderzoeken, maar kan de aandacht wel richten op de wijze waarop het college uitvoering heeft gegeven aan medebewindbevoegdheden. Het recht van onderzoek dient, voordat daartoe kan worden besloten, nader te worden gereglementeerd door de gemeenteraad.

 

De gemeente Hengelo heeft nog geen verordening met betrekking tot het recht van onderzoek. Om de gemeenteraad de hem bij de Wet dualisering gemeentebestuur toegekende bevoegdheid voor een dergelijk onderzoek terstond ter beschikking te laten hebben op het moment dat zulks gewenst is, achten wij het wenselijk daartoe thans een verordening vast te stellen. Wij hebben daarvoor een voorstel opgemaakt dat u hieronder aantreft. Omdat, zoals gemeld, voordat tot enige raadsenquête kan worden besloten, er op grond van de Gemeentewet eerst een verordening met betrekking tot dergelijke onderzoeken door de gemeenteraad moet zijn vastgesteld, krijgt de gemeenteraad met het vaststellen van de verordening er de facto een extra instrument bij om zijn taak te kunnen uitoefenen, hetgeen meer invulling geeft aan de duale verhoudingen binnen het gemeentebestuur.

 

Naast de regels die bij wet bepaald zijn, hebben wij gemeend in de verordening nadere regels te moeten stellen over onder meer:

      de vergaderorde van de onderzoekscommissie;

      de verslaglegging;

      het openbaar maken van de bevindingen van de onderzoekscommissie.

 

Daarbij is een toelichting op de verordening opgesteld.

 

Wij stellen de gemeenteraad voor de Verordening op het recht van onderzoek 2011 en de toelichting daarop vast te stellen.

 

Pro Hengelo

Namens deze,

 

 

J.T.J. Heijstek

 

Bijlagen:        Verordening op het recht van onderzoek 2011

                     Toelichting


De raad van de gemeente Hengelo,

gezien het voorstel van de fractie van Pro Hengelo met registratienummer 382188 en gelet op de artikelen 155a t/m 155f van de Gemeentewet,

 

b e s l u i t :

 

vast te stellen de volgende verordening en de toelichting daarop:

 

VERORDENING OP HET RECHT VAN ONDERZOEK 2011

 

Definities

Artikel 1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.    de burgemeester: de burgemeester van de gemeente Hengelo;

b.    het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo;

c.    onderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 155a van de Gemeentewet, omschreven in artikel 2, eerste lid, eerste volzin;

d.    de raad: de gemeenteraad van de gemeente Hengelo;

e.    onderzoekscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet.

 

Recht van onderzoek

Artikel 2.

1.    De raad kan op voorstel van een of meer van zijn leden een onderzoek naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur instellen. Een voorstel tot het instellen van een onderzoek moet schriftelijk worden ingediend bij de voorzitter van de raad.

2.    Het onderwerp van onderzoek dient betrekking te hebben op een onderdeel of aspect van het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur.

 

Besluit tot instellen van een onderzoek; onderzoekscommissie

Artikel 3.

1.    Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek, alsmede een toelichting. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de raad worden gewijzigd.

2.    Indien de raad besluit tot het instellen van een onderzoek stelt hij in de eerstvolgende raadsvergadering na dat besluit een onderzoekscommissie in bestaande uit vijf leden van de raad, van wie de raad één lid aanwijst als voorzitter; de onderzoekscommissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan. Bij de samenstelling van de onderzoekscommissie zorgt de raad voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen. De raad wijst tevens een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden aan.

3.    Bij de instelling van de onderzoekscommissie stelt de raad nadere regels vast met betrekking tot de rapportage van de onderzoekscommissie aan de raad.

4.    De onderzoekscommissie kan de bij deze verordening verleende bevoegdheden slechts uitoefenen, indien de meerderheid van haar leden aanwezig is. De onderzoekscommissie besluit met volstrekte meerderheid van stemmen.

5.    De bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van de raad.

6.    De onderzoekscommissie blijft bestaan totdat de raad heeft besloten haar te ontbinden.

7.    Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een onderzoekscommissie zijn de artikelen 139, tweede lid, 140 en 141 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

 

Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter

Artikel 4.

De voorzitter, en bij ontstentenis of belet van de voorzitter de plaatsvervangend voorzitter:

1.    is belast met:

       a.    het leiden van de vergaderingen van de onderzoekscommissie;

       b.    het handhaven van de orde tijdens de vergaderingen van de onderzoekscommissie;

       c.    het doen naleven van bij of krachtens deze verordening gestelde regels;

       d.    hetgeen deze verordening hem verder opdraagt en hetgeen noodzakelijk is om de voortgang van de werkzaamheden van de onderzoekscommissie te bevorderen;

       e.    het optreden namens de onderzoekscommissie in vergaderingen met de raad, commissies van de raad en het college, en bij contacten met derden waaronder de pers;

2.    heeft de dagelijkse leiding over de (plaatsvervangend) griffier van de onderzoekscommissie, eventuele onderzoeksmedewerkers, ambtenaren die ambtelijke bijstand verlenen en externe adviseurs.

 

Beëindiging van het lidmaatschap

Artikel 5.

1.    Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien:

       a.    de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie;

       b.    een lid ophoudt lid te zijn van de raad;

       c.    de onderzoekscommissie besluit een lid van haar commissie te horen;

       d.    een lid ontslag neemt.

2.    Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen. Hiervan brengt het betreffende lid de raad en de voorzitter van de onderzoekscommissie zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte.

3.    In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.

4.    De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden.

5.    Indien de voorzitter of een lid van de onderzoekscommissie in de loop van het onderzoek vermoedt dat een probleem dreigt te ontstaan vanwege belangenverstrengeling van hemzelf dan wel van een ander lid van de onderzoekscommissie, of omdat anderszins de onafhankelijkheid van de onderzoekscommissie in het geding is, doet hij hiervan terstond melding aan de onderzoekscommissie.

6.    De onderzoekscommissie bespreekt het gesignaleerde probleem en handelt ter zake naar bevind van zaken. In de te maken afweging staat de onafhankelijkheid van de onderzoekscommissie voorop.

7.    Een melding als bedoeld in het vijfde lid en de bespreking als bedoeld in het zesde lid maken onderdeel uit van de bevindingen van de onderzoekscommissie.

 

Griffier en plaatsvervangend griffier van de onderzoekscommissie; ambtelijke bijstand

Artikel 6.

1.    De raad wijst een medewerker van de griffie aan als griffier van de onderzoekscommissie; de raad wijst tevens een medewerker van de griffie aan als plaatsvervangend griffier. De griffier, en bij ontstentenis of belet van de griffier de plaatsvervangend griffier, zijn bij iedere vergadering van de onderzoekscommissie aanwezig.

2.    De voorzitter van de onderzoekscommissie kan onder opgaaf van redenen om ambtelijke bijstand verzoeken. Omtrent dergelijke verzoeken beslist de raad binnen twee weken na de ontvangst daarvan.

3.    Indien ambtenaren, belast met de ambtelijke bijstand van de onderzoekscommissie, ambtshalve aanwezig zijn bij een besloten hoorzitting als bedoeld in artikel 11, zevende lid, bewaren zij geheimhouding over hetgeen hun tijdens deze hoorzitting ter kennis komt.

 

Mededeling verwachte duur onderzoek

Artikel 7.

1.    Alvorens te beginnen met het horen van personen bericht de voorzitter van de onderzoekscommissie de raad omtrent de tijd die naar verwachting nodig zal zijn voor het onderzoek.

2.    Indien het zich naar het oordeel van de onderzoekscommissie laat aanzien dat het onderzoek niet zal zijn afgerond binnen de daarvoor aangegeven tijd, doet de voorzitter van de onderzoekscommissie daarvan onverwijld melding aan de raad.

 

Wijziging omschrijving onderwerp onderzoek

Artikel 8.

1.    Indien hangende het onderzoek de onderzoekscommissie van mening is dat de omschrijving van het onderwerp van onderzoek gewijzigd dient te worden, doet zij de raad een voorstel de omschrijving te wijzigen.

2.    Omtrent een voorstel bedoeld in het eerste lid beslist de raad zo spoedig mogelijk.

3.    Op het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek zijn de artikelen 139, tweede lid, 140 en 141 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

 

Vergaderingen onderzoekscommissie

Artikel 9.

1.    De onderzoekscommissie vergadert indien de voorzitter of ten minste twee leden dat nodig acht(en).

2.    De voorzitter van de onderzoekscommissie bepaalt plaats en tijdstip van de vergaderingen van de onderzoekscommissie niet zijnde hoorzittingen en brengt die schriftelijk ter kennis van de leden van de onderzoekscommissie.

       Indien de vergadering van de onderzoekscommissie een hoorzitting betreft, bepaalt de voorzitter van de onderzoekscommissie plaats en tijdstip van de hoorzitting en brengt die ter openbare kennis. Deze openbare kennisgeving vindt plaats door middel van een mededeling in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en via de gemeentelijke website.

3.    De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie ten minste twee weken voor de vergadering van de onderzoekscommissie niet zijnde een hoorzitting schriftelijk op.

       Indien de vergadering van de onderzoekscommissie een hoorzitting betreft, roept de voorzitter de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en deskundigen ten minste twee weken voor de hoorzitting schriftelijk op, een en ander met inachtneming – voor zover van toepassing - van het bepaalde in artikel 12, eerste lid. Indien de vergadering van de onderzoekscommissie een hoorzitting betreft, kunnen de getuigen en deskundigen, binnen drie werkdagen na verzending van de oproep, onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip van de hoorzitting te wijzigen. De beslissing van de voorzitter op deze verzoeken wordt uiterlijk één week voor het tijdstip van de hoorzitting aan de betrokken getuige(n) of deskundige(n) medegedeeld.

4.    De vergaderingen van de onderzoekscommissie vinden alleen doorgang als de meerderheid van de commissieleden aanwezig is.

5.    De vergaderingen van de onderzoekscommissie niet zijnde hoorzittingen zijn besloten.

6.    De onderzoekscommissie kan in een besloten vergadering, op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de onderzoekscommissie worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering van de onderzoekscommissie behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de onderzoekscommissie haar opheft. Nadat de onderzoekscommissie door de raad is ontbonden, komt de bevoegdheid tot het opheffen van geheimhouding aan de raad toe.

7.    De verordening op de raadscommissies is niet van toepassing op vergaderingen van de onderzoekscommissie.

 

Informatie

Artikel 10.

1.    Leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, leden en gewezen leden van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn verplicht te voldoen aan een vordering van de onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor het doen van een onderzoek nodig is. Indien de onderzoekscommissie informatie wenst die het gemeentebestuur niet onder zich heeft, bevordert het college dat deze de onderzoekscommissie eveneens ter beschikking komt.

2.    Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese Unie of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan schaden, wordt niet dan met toestemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de vordering voldaan.

3.    Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek alle door de onderzoekscommissie gevorderde medewerking te verlenen.

 

Getuigen en deskundigen

Artikel 11.

1.    Personen genoemd in artikel 10, eerste lid, zijn verplicht te voldoen aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of deskundige te worden gehoord.

2.    Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord, is niet tevens lid van de onderzoekscommissie.

3.    De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.

4.    De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste weten als zodanig te verlenen.

5.    De onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Een dergelijk besluit dient genomen worden voordat de eerste getuige of deskundige is gehoord. De getuigen leggen alsdan dan in de vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de voorzitter, de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.

6.    De getuigen en deskundigen worden in een openbare hoorzitting van de onderzoekscommissie gehoord.

7.    De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De leden en plaatsvervangende leden van de onderzoekscommissie bewaren geheimhouding over hetgeen hun tijdens een besloten hoorzitting ter kennis komt.

8.    Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten bijstaan. Om gewichtige redenen kan de onderzoekscommissie besluiten, dat een getuige zonder bijstand wordt gehoord.

9.    Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie kunnen, behalve in het geval van artikel 207, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, niet als bewijs in rechte gelden.

 

Oproeping getuigen en deskundigen

Artikel 12.

1.    De brief, houdende de oproep van getuigen en deskundigen wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend ontvangstbewijs uitgereikt. De oproep van de onderzoekscommissie gaat in ieder geval vergezeld van het besluit van de raad als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en deze verordening.

2.    De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen bedoeld in artikel 11, eerste lid, die, hoewel opgeroepen in overeenstemming met het eerste lid, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de getuige of deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de wijze, bedoeld in het eerste lid. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door alsnog aan zijn verplichting te voldoen.

3.    Op een beschikking als bedoeld in het eerste en het tweede lid is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

 

Vrijwillige medewerking/inschakelen derden

Artikel 13.

1.    De onderzoekscommissie kan buiten de personen genoemd in artikel 10, eerste lid, tevens anderen verzoeken om medewerking aan het onderzoek te verlenen. Deze medewerking geschiedt slechts op vrijwillige basis.

2.    De onderzoekscommissie kan besluiten derden in te schakelen voor het uitvoeren van opdrachten die zij in het kader van de onderzoeksopdracht en de uitoefening van haar taak nodig acht.

3.    De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat hiertoe geen plicht tot medewerking.

 

Verschoningsrecht

Artikel 14.

1.    Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie geheimen te openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan wel aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij hij werkzaam is of is geweest.

2.    Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage, afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.

3.    De burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van een door het college of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het college aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn niet verplicht aan artikel 10, eerste en derde lid, en artikel 11, derde lid, te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang.

4.    De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep op strijd met het openbaar belang als bedoeld in het derde lid wordt bevestigd door het college, of, voor zover de inlichtingen betrekking hebben op het door de burgemeester gevoerde bestuur, door de burgemeester.

 

Orde tijdens hoorzittingen

Artikel 15.

1.    De voorzitter van de onderzoekscommissie regelt de gang van zaken tijdens de hoorzitting. De hoorzitting kan door hem worden geschorst.

2.    De voorzitter kan, indien de orde tijdens de hoorzitting dat naar zijn oordeel vereist, een of meer aanwezigen de toegang tot de hoorzitting ontzeggen, de hoorzitting zonder hen voortzetten of de hoorzitting staken.

3.    De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare hoorzittingen bijwonen.

4.    Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is verboden.

5.    Degenen die tijdens de hoorzitting geluid- dan wel beeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.

 

Verslagen van vergaderingen

Artikel 16.

1.    De griffier van de onderzoekscommissie draagt zorg voor de verslaglegging van de vergaderingen van de onderzoekscommissie. Onverminderd het overigens in deze verordening bepaalde worden de verslagen van de vergaderingen van de onderzoekscommissie niet in de openbaarheid gebracht.

2.    Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid voor zover van belang.

3.    Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is gezegd en wat verder ter vergadering van de onderzoekscommissie is voorgevallen.

4.    Het verslag verwijst naar de op de vergadering van de onderzoekscommissie overgelegde bescheiden, die aan het verslag kunnen worden gehecht.

5.    De verslagen worden vastgesteld door de onderzoekscommissie. De verslagen wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier – bij ontstentenis of belet van de griffier door de plaatsvervangend griffier - van de onderzoekscommissie.

6.    De verslagen worden als bijlage(n) bij de bevindingen van de onderzoekscommissie gevoegd.

7.    Verslagen van verhoren als bedoeld in artikel 11, zevende lid, zijn vertrouwelijk.

 

Bevindingen onderzoekscommissie; verslag aan de raad

Artikel 17.

1.    De bevindingen van de onderzoekscommissie met bijlagen worden op schrift gesteld en aan de raad ter hand gesteld, met dien verstande dat de raad de verslagen bedoeld in artikel 16, zevende lid, en verslagen van vergaderingen van de onderzoekscommissie niet zijnde hoorzittingen slechts onder geheimhouding krijgt.

2.    Na afloop van het onderzoek en voorts zo dikwijls de onderzoekscommissie het nodig oordeelt dan wel de raad daartoe besluit, doet de onderzoekscommissie van haar bevindingen verslag aan de raad.

 

Citeertitel

Artikel 18.
Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening op het recht van onderzoek 2011.

 

Inwerkingtreding

Artikel 19.

Deze verordening treedt in werking op 2 maart 2011.

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Artikelsgewijze toelichting op de Verordening op het recht van onderzoek 2011

 

Algemeen

Het onderzoeksrecht van de gemeenteraad is uitvoerig geregeld in de artikelen 155a tot

en met 155f van de Gemeentewet. De Verordening op het recht van onderzoek 2011, die in nauwe samenhang met de artikelen uit de Gemeentewet dient te worden gelezen, bevat nadere regels met betrekking tot dit recht van onderzoek. Het recht van onderzoek is een

exclusief recht van de gemeenteraad dat ingevolge artikel 156, tweede lid, van de Gemeentewet niet overdraagbaar is.

 

Definities

Artikel 1.

Het artikel bevat definities om de leesbaarheid van de verordening te vergroten.

 

Recht van onderzoek

Artikel 2.

In het eerste lid wordt ter verduidelijking aangegeven dat op voorstel van een of meer leden van de gemeenteraad, bij raadsbesluit, een onderzoek kan worden ingesteld naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur. Het tweede lid geeft een nader kader van het recht van onderzoek.

 

Besluit tot instellen van een onderzoek; onderzoekscommissie

Artikel 3.

Het eerste lid bevat de mogelijkheid tot het wijzigen van de omschrijving van het onderwerp van onderzoek hangende het onderzoek. De gemeenteraad dient bij de samenstelling zorg te dragen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de gemeenteraad vertegenwoordigde groeperingen. Omdat het denkbaar is dat hieromtrent nader overleg tussen raadsfracties nodig is, is dit besluitmoment verschoven naar de eerstvolgende raadsvergadering na het besluit tot het instellen van een onderzoek.

Het tweede lid voorziet verder in de benoeming van plaatsvervangende leden van de onderzoekscommissie.

Het derde lid bepaalt dat er bij de instelling van de onderzoekscommissie wordt bepaald hoe en op welke momenten deze commissie aan de gemeenteraad rapporteert. Voorstelbaar zou zijn dat bepaald wordt dat de voorzitter van de onderzoekscommissie elke raadsvergadering een kort verslag doet omtrent de vorderingen van het onderzoek. Het vierde lid bepaalt dat de onderzoekscommissie besluit met een volstrekte meerderheid van stemmen.

 

Dat de onderzoekscommissie kan de bij de verordening verleende bevoegdheden slechts kan uitoefenen, indien de meerderheid van haar leden aanwezig is, vergroot de legitimiteit van haar werkzaamheden en onderzoeksresultaten.

De onderzoekscommissie besluit met volstrekte meerderheid van stemmen, hetgeen inhoudt dat besluiten van de onderzoekscommissie met meer dan de helft van de stemmen genomen dienen te worden.

In artikel 155a, zesde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie niet worden geschorst door het aftreden van de gemeenteraad. Door te bepalen dat de onderzoekscommissie blijft bestaan totdat de raad heeft besloten haar te ontbinden, wordt duidelijk afgebakend wanneer de onderzoekscommissie is opgehouden te bestaan.

Het zevende lid regelt de bekendmaking en het verkrijgen van afschriften van het besluit en is ontleend aan artikel 155a, zevende lid, van de Gemeentewet.

 

Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter

Artikel 4.

De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter maken tevens deel uit van de onderzoekscommissie en zijn derhalve niet slechts (technisch) voorzitter.

 

Beëindiging van het lidmaatschap

Artikel 5.

In artikel 155a, zesde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie niet worden geschorst door het aftreden van de gemeenteraad. Nu de onderzoekscommissie slechts mag bestaan uit leden van de gemeenteraad brengt dat met zich mee dat bij het aantreden van een nieuwe gemeenteraad de samenstelling van de onderzoekscommissie wel zal moeten worden aangepast. Indien een individueel lid van de onderzoekscommissie ophoudt lid te zijn van de gemeenteraad, eindigt derhalve tevens zijn lidmaatschap van de onderzoekscommissie.

Voorts eindigt het lidmaatschap van de onderzoekscommissie uiteraard bij opheffing van de onderzoekscommissie en bij het nemen van ontslag. De gemeenteraad kan tevens, indien dit wenselijk wordt geacht, de onderzoekscommissie tussentijds opheffen.

Daarnaast eindigt het lidmaatschap indien de onderzoekscommissie besluit een van haar leden te horen. Artikel 155c, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt namelijk dat een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord, niet tevens lid is van de onderzoekscommissie.

Het bepaalde is uiteraard tevens van toepassing op de plaatsvervangende leden van de onderzoekscommissie.

Voorts is in dit artikel een regeling opgenomen in geval van (mogelijke) belangenverstrengeling. De onderzoekscommissie kan nadrukkelijk niet besluiten tot ontslag van een lid. De in het eerste lid vermelde gronden voor beëindiging van het lidmaatschap van de onderzoekscommissie zijn limitatief.

 

Griffier en plaatsvervangend griffier van de onderzoekscommissie; ambtelijke bijstand

Artikel 6.

Aangezien het recht van onderzoek van de gemeenteraad een raadsaangelegenheid betreft, is ervoor gekozen de griffier van de onderzoekscommissie een medewerker van de griffie te laten zijn. Hetzelfde geldt voor de plaatsvervangend griffier.

 

Mededeling verwachte duur onderzoek

Artikel 7.

Het is gewenst om een indicatie van de verwachte duur van het onderzoek te hebben in verband met de planning van de werkzaamheden van de onderzoekscommissie en ter nadere informatie van de gemeenteraad.

 

Wijziging omschrijving onderwerp onderzoek

Artikel 8.

Indien nodig kan hangende het onderzoek de omschrijving van het onderwerp van onderzoek gewijzigd worden. Dit is een uitvloeisel van het bepaalde in artikel 3, eerste lid.

 

Vergaderingen onderzoekscommissie

Artikel 9.

Artikel 155d, eerste lid, van de Gemeentewet voorziet in de schriftelijke oproeping van getuigen en deskundigen die ter hoorzitting dienen te verschijnen. Zie verder artikel 12. De hoorzitting dient te worden onderscheiden van de overige vergaderingen van de onderzoekscommissie, die ingevolge artikel 9, vijfde lid, achter gesloten deuren plaatshebben. Op de hoorzitting vinden de verhoren van getuigen en deskundigen plaats ex artikel 155c, zesde lid, van de Gemeentewet en zijn in beginsel openbaar. De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155c, zevende lid, van de Gemeentewet om gewichtige redenen echter besluiten dat een verhoor of een gedeelte ervan niet in het openbaar plaatsvindt. De leden bewaren geheimhouding over hetgeen hen tijdens een besloten zitting ter kennis komt. De redenen om besloten te vergaderen zijn hierbij anders dan die genoemd in artikel 86,

eerste lid, van de Gemeentewet. In artikel 86, eerste lid, wordt immers gesproken over belangen als bedoeld in artikel 10 Wet openbaarheid van bestuur. Dat is bij besloten vergaderingen in het kader van het onderzoeksrecht niet van belang. Slechts van belang is of er naar het oordeel van de onderzoekscommissie sprake is van ‘gewichtige redenen’. Het bepaalde in artikel 86, eerste lid, is derhalve op de onderzoekscommissie niet van toepassing.

De vergaderingen van de commissie, niet zijnde hoorzittingen, vinden plaats achter gesloten deuren, omdat de inhoud van een beraadslaging zich mogelijk niet voor openbaarheid leent. Het is namelijk zeer wel denkbaar dat er beraadslaagd wordt omtrent ondervragingsmethoden, tactieken en dergelijke, welke in het belang van het onderzoek niet naar buiten mogen worden gebracht. Daarnaast moet er vrij gesproken kunnen worden over personen en hetgeen door hen naar voren is gebracht. De gemeenteraad kan op basis van artikel 3, derde lid, nadere regels stellen omtrent deze beraadslagingen in verband met de rapportage naar de gemeenteraad.

De verordening op de raadscommissies is in het zevende lid buiten toepassing verklaard, omdat hierin zaken en bevoegdheden geregeld worden die bij het onderzoek niet toepasbaar dan wel onwenselijk zijn. Hierbij valt te denken aan zaken als spreekrecht voor burgers.

 

Informatie

Artikel 10.

Het artikel is ontleend aan artikel 155b van de Gemeentewet.

 

Getuigen en deskundigen

Artikel 11.

Het artikel is ontleend aan artikel 155c van de Gemeentewet. Artikel 155c, vijfde lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Omdat het tengevolge hiervan niet mogelijk is om de ene getuige wel en de andere niet onder ede te horen is het vijfde lid bepaald dat de onderzoekscommissie hieromtrent een besluit neemt alvorens de eerste getuige of deskundige gehoord is.

 

Oproeping getuigen en deskundigen

Artikel 12.

Het artikel is ontleend aan artikel 155d van de Gemeentewet.

 

Vrijwillige medewerking/inschakelen derden

Artikel 13.

Artikel 155b, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt de groep van personen die verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek en jegens wie dwangmiddelen kunnen worden ingezet. Dit laat onverlet de mogelijkheid om personen buiten deze groep te horen, zij het op vrijwillige basis. Deze personen zijn niet verplicht om een verklaring onder ede af te leggen. Indien een onderzoekscommissie derhalve bepaald heeft dat alle getuigen en deskundigen onder ede gehoord worden, zijn deze personen hiervan uitgezonderd.

Verder bestaat de mogelijkheid om, bijvoorbeeld bij gebrek aan deskundigheid, opdrachten uit te besteden aan derden. Ingevolge artikel 155f van de Gemeentewet dient het college de door de gemeenteraad geraamde kosten voor een onderzoek in een bepaald jaar op te nemen in de ontwerpbegroting. Voorstelbaar is dat hier tevens een post wordt opgenomen met betrekking tot deze (mogelijke) inschakeling van externen. Tot het aangaan van eventuele overeenkomsten met derden ter ondersteuning van de onderzoekscommissie moet het college beslissen.

Naast het horen op vrijwillige basis kan een onderzoekscommissie ook informele (informatieve) gesprekken voeren met getuigen en deskundigen, bijvoorbeeld om vast te stellen of horen ter zitting nuttig is.

 

Verschoningsrecht

Artikel 14.

Het verschoningsrecht heeft alleen betrekking op geheimhoudingsplichten die voortvloeien uit een ambt, beroep of betrekking.

 

Orde tijdens hoorzittingen

Artikel 15.

Artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet regelen dat de voorzitter

van de gemeenteraad toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. Voor de onderzoekscommissie

ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet, het tweede lid voorziet hierin.

Aangezien de hoorzittingen van een onderzoekscommissie in principe openbaar zijn,

kunnen radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard

niet het geval als het een besloten hoorzitting betreft. Het vijfde lid geeft de voorzitter de bevoegdheid aanwijzingen te geven met betrekking tot bijvoorbeeld plaats en opstelling.

 

Verslagen van vergaderingen en hoorzittingen

Artikel 16.

Het verdient aanbeveling om tijdens de hoorzittingen een geluidsband mee te laten

draaien of op andere wijze het gezegde exact vast te leggen. Op deze wijze ontstaat

achteraf nooit discussie over hetgeen wel of niet gezegd is.

 

Bevindingen onderzoekscommissie; verslag aan de raad

Artikel 17.

De onderzoekscommissie haar bevindingen schriftelijk voor aan de gemeenteraad. De vorm waarin dit geschiedt wordt hier niet nader bepaald en is aan de gemeenteraad in het kader van de nadere regels als genoemd in artikel 2, derde lid. Hierbij zijn verschillende vormen mogelijk, variërend van een (tussentijds) rapport tot een voorstel aan de gemeenteraad. De vraag luidt hierbij wat de gemeenteraad onder bevindingen wenst te verstaan. Is dit slechts een feitenrelaas van de onderzoekscommissie waarover de gemeenteraad zich een oordeel vormt of dient er door de commissie ook zelf een oordeel gevormd te worden alvorens de gemeenteraad zich erover buigt. De verslagen van verhoren die niet openbaar waren, krijgt de gemeenteraad slechts onder geheimhouding; hetzelfde geldt voor verslagen van vergaderingen van de onderzoekscommissie niet zijnde hoorzittingen.

De onderzoekscommissie doet na afloop van het onderzoek verslag van haar bevindingen aan de gemeenteraad. Zij kan die voorts uit eigener beweging tussentijds doen, dan wel tussentijds op grond van een raadsbesluit daartoe.

 

Citeertitel

Artikel 18.
Door het opnemen van een citeertitel kan de verordening eenduidig worden aangehaald.

 

Inwerkingtreding

Artikel 19.

De onderliggende verordening bevat geen algemeen verbindende voorschriften. De verplichting voor bepaalde categorieën personen om medewerking te verlenen aan een door de gemeenteraad in te stellen onderzoek vloeit immers niet voort uit de verordening, maar rechtstreeks uit de wet. De verordening kan derhalve op een door de gemeenteraad te bepalen datum in werking treden.

 

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Hengelo in zijn openbare vergadering van 1 maart 2011.

 

 

de griffier                                                                                                      de voorzitter

 

Wilt u reageren? Klik hier

- Er zijn nog geen reacties op dit artikel -

Vul alle gewenste informatie in. Uw e-mail adres zal niet worden getoond.

Reacties worden beoordeeld alvorens ze verschijnen. Dit kan enige vertraging opleveren.